Pitt-Hopkins syndroom in het kort

Diagnostische criteria

Een groep van deskundigen heeft de criteria vastgesteld om te bepalen of iemand PTHS heeft of niet.

Hoofdkenmerken:

  • gezicht
  • smal voorhoofd
  • het buitenste deel van de wenkbrauwen is dun in vergelijking met het binnenste deel de neus (bovenste deel - middelste deel - onderste deel) is breed
  • de neusvleugels stulpen een beetje naar buiten toe uit
  • de wangen zijn mooi vol
  • de mond is groot, de lippen vol, de bovenlip loopt in het midden naar boven ("cupido boog")
  • de randen van de oren zijn dik en een beetje gevouwen
  • matige tot ernstige leermoeilijkheden (met geen of slechts beperkte spraak)
  • ademhalingsafwijkingen: ofwel te frequent (hyperbreathing) ofwel in periodes van pauze in de ademhaling (apneu)

Ondersteunende Kenmerken:

  • bijziendheid
  • constipatie
  • ongebruikelijke vorm van handen: de vingers zijn slank en de plooien in de handpalm lopen abnormaal
  • onstabiele gang
  • middels een score die wordt toegepast op de criteria wordt bepaald of de klinische diagnose van PTHS wordt gesteld

DNA en Erfelijkheid

Maag - darmstelsel

Voedingsproblemen op latere leeftijd, zoals kokhalzen, weigeren te eten, en alleen eten op een bepaalde tijd of plaats, of een bepaald soort voedsel, kunnen voorkomen, maar over het algemeen worden kinderen en volwassenen met PTHS beschreven als uitstekende eters.

Spijsverteringsproblemen komen vaak voor. Constipatie komt bij de meerderheid voor.

Bij 40% komt reflux voor. Bij een derde is er sprake van veel boeren en bij ongeveer de helft het inslikken van lucht in de maag. Reguliere medicijnen tegen reflux werken doorgaans goed.

De behandeling van constipatie is hetzelfde als bij mensen zonder PTHS. In de vorm van medicijnen en door gedrag te veranderen. Een dagboek bijhouden van de stoelgang geeft een goed inzicht in de problematiek.

Ademhaling

Een verstoring van een regelmatige ademhaling is een van de belangrijke criteria van PTHS. Bij 48% komt te snel ademen voor. Het typische ademhalingspatroon bestaat uit een snelle, soms regelmatige en soms onregelmatige ademhaling, gevolgd door een pauze in de ademhaling (apneu). Het duurt meestal 2 tot 5 minuten. Het kan meerdere keren per uur tot enkele keren per jaar voorkomen. Het wordt uitgelokt door opwinding, stress of angst.

Aan iedereen die betrokken is bij kinderen en volwassenen met PTHS moet worden uitgelegd dat aanvallen van te snel en te traag ademen voorkomen en dat het onwaarschijnlijk is dat ze schadelijk zijn. Een relatie met epilepsie is onzeker. Veel mensen met ademhalingsproblemen ontwikkelen een verbreding van de vingertoppen.

Ademhalingsproblemen kunnen angsten en onrust veroorzaken, maar velen lijken er zich niet gestoord door te voelen. Als iemand met PTHS 's nachts ademhalingsstoornissen heeft, moet slaaponderzoek worden overwogen om obstructieve slaapapneu uit te sluiten.

Er is onderzoek gaande naar de werking van sarizotan of dat het voorkomen van apneu en snelle ademhaling vermindert.

Zintuigen

Gezichtsvermogen

Bij ca. 10% van PTHS-kinderen zijn de traanbuisjes verstopt. Problemen met scherp zien komen vaak voor: Bijziendheid, scheelzien en ogen die snel van kant naar kant bewegen.

Elk kind met PTHS moet gecontroleerd worden op zijn of haar gezichtsvermogen als de diagnose is gesteld, en dit moet vervolgens regelmatig herhaald worden.

Gehoor

Gehoorverlies is niet gebruikelijk. Toch moet het gehoor regelmatig worden getest bij iedereen met PTHS.

Reuk

Er is geen onderzoek gedaan naar de reukzin bij kinderen met PTHS.

Pijn

Pijn is moeilijk te herkennen bij mensen met PTHS. Het is belangrijk dat zorgverleners zich dat realiseren. Vertellen kunnen ze het niet dus laten ze het op andere diverse manier zien.

Neurologie

Bijna de helft van de mensen met PTHS heeft epilepsie. Aanvallen gaan soms samen met apneus en een snelle ademhaling. EEG (elektro-encefalogram) studies moeten alleen worden uitgevoerd wanneer er duidelijke epilepsie aanvallen zijn of wanneer men blijft twijfelen als iemand met PTHS epilepsie aanvallen heeft of apneus vertoont.

Epilepsie aanvallen kunnen net zo worden behandeld als bij ieder ander met epilepsie; er is geen goed bewijs dat het ene geneesmiddel tegen epilepsie beter werkt dan het andere.

Er is een merkbaar verschil in spierspanning bij mensen met PTHS: driekwart heeft een lage spierspanning (hypotonie) in de romp, en net onder 10% juist een hoge spierspanning (hypertonie). Een derde heeft deze hoge spierspanning in armen en benen.

De slaap is nog niet in detail onderzocht bij mensen met PTHS.